Avant-garde uit Hongarije

29 mei 2017 16:25
Het Joods Historisch Museum in Amsterdam zet van negentien Hongaarse avant-gardekunstenaars werken in de schijnwerpers. De tentoonstelling Van fauvisme tot surrealisme. Joodse avant-gardekunstenaars uit Hongarije belicht hun vernieuwende schilderkunst uit de eerste helft van de twintigste eeuw, toen het land gebukt ging onder oorlogen, nationalisme en communisme. De meeste kunstwerken waren niet eerder te zien in ons land.
Op de tentoonstelling zijn werken te zien van beroemde Hongaarse kunstenaars als Vilmos Huszár, Béla Czóbel, László Moholy-Nagy en Lahos Tihanyi. Van Róbert Berény toont het museum zijn meesterwerk Self-portrait with Top Hat. Enkele kunstenaars waren ook actief in Nederland. Huszár was honderd jaar geleden een van de oprichters van De Stijl. Czóbel was betrokken bij de Bergense School en maakte het eerst bekende portret van dichter Adriaan Roland Holst. Ook László Moholy-Nagy woonde en werkte een paar jaar in ons land. Van hem zijn enkele vroege werken te zien. De kunstenaars werkten in een bloeiend artistiek klimaat in Hongarije. Het land was de eerste helft van de twintigste eeuw een ontmoetingsplaats voor kunstenaars uit Oost- en West-Europa en talloze kunststromingen kwamen hier samen. Kunstenaars experimenteerden met het fauvisme en kubisme uit Frankrijk, het futurisme uit Italië, het expressionisme uit Duitsland en het constructivisme en de cinema uit de Sovjet-Unie. Het was tegelijkertijd een roerige tijd in Hongarije. Kunstenaars hadden te maken met opkomend nationalisme, de Eerste Wereldoorlog, het uiteenvallen van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk, de Tweede Wereldoorlog en het begin van een communistisch regime. Veel kunstenaars hadden een joodse achtergrond en kregen vanaf begin jaren twintig te maken met een groeiend antisemitisme. Ze werden gedreven door een geloof in vooruitgang en een verlangen naar een rechtvaardige wereld, maar werden allen op de een of andere manier slachtoffer van de Holocaust. De tentoonstelling toont ongeveer negentig schilderijen waarin de experimenteerdrang en de verschillende stijlen samenkomen. Zo is te zien hoe Béla Kádár kubistische landschappen schilderde in de stijl van Chagall en hoe Armand Schönberger het nachtleven van Boedapest vastlegde in een Italiaans-futuristische stijl. Maar ook de sfeer van de tijd komt terug in de kunstwerken. Lili Ország gaf in haar kunst uiting aan de gevolgen van de Holocaust, met grimmige en donkere schilderijen. De tentoongestelde werken zijn uitgeleend door diverse musea en particulieren in Hongarije en Nederland, waaronder de Hungarian National Gallery en het Joods Museum in Boedapest. Met de Hongaarse kunst bouwt het Joods Historisch Museum voort op eerdere succesvolle exposities van joodse kunstenaars uit Rusland en avant-gardekunstenaars uit Roemenië. Bij de tentoonstelling Van fauvisme tot surrealisme verschijnt bij Walburg Pers een gelijknamige publicatie onder redactie van Joël Cahen, tot oktober 2015 directeur van het Joods Cultureel Kwartier. Tegelijk met de tentoonstelling wordt in het Kunstkabinet van het museum het werk van een hedendaagse Hongaarse kunstenaar getoond: False Testimony van Hajnal Németh gaat over de Tiszaeszlár affaire van 1882, ook wel het Hongaarse equivalent van de Dreyfus affaire genoemd. Een moderne opera toont hoe joden ten onrechte de schuld kregen van de verdwijning van een 14-jarig meisje. De foto’s die de kunstenaar in samenwerking met historicus Zoltán Kékesi maakte leggen op subtiele wijze het hedendaagse Hongaarse antisemitisme bloot.

Joods Historisch Museum
t/m 24 september
www.jck.nl





Róbert Berény, Zwarte kat, ca. 1920, Baja, Türr István Museum




Links: Lili Ország, Met tabaksbladeren, ca. 1955. King St. Stephen Museum, Székesfehérvár, rechts: Lajos Vajda, Gustave Fleury, 1930-1933. Ferenczy Museum Center - Szentendere



Béla Czóbel, Jongens, 1907. Foto: István Füzi. Janus Pannonius Museum - Pécs



Share |
Dit artikel is nog niet beoordeeld